In de nacht schuift een pakket laaghangende bewolking het land binnen, zo zachtjes dat je het bijna zou kunnen missen—ware het niet dat de mist je morgenochtend waarschijnlijk vriendelijk doch beslist tegemoet komt. De temperatuur zakt naar een graad of zeven, precies genoeg om je fiets­sleutel even te laten aarzelen in het slot.

De ochtend begint nog wat nors. Een grijze deken blijft koppig hangen, alsof hij zich bedacht heeft dat het leven boven Nederland eigenlijk best comfortabel is. Maar goed nieuws: in de loop van de dag krijgt de zon af en toe een podiumplek. Niet uitbundig, meer in de categorie ‘ik ben er wel, maar verwacht geen applaus’. De temperatuur blijft steken rond de tien graden, net iets minder zacht dan de afgelopen dagen, maar nog altijd vriendelijk genoeg om zonder winterjas een broodje te halen.

Donderdag doet qua weer een beetje denken aan iemand die niet kan kiezen wat hij wil: wolken, zon, wolken, zon. Het blijft rond de tien graden en de wind, matig maar aanwezig, komt uit het zuidzuidwesten. Niet echt een wind om tegen te vechten, meer eentje die je onderweg zachtjes in de zij prikt om te controleren of je nog wakker bent.

Vrijdag volgt hetzelfde patroon. Zon en bewolking wisselen elkaar af alsof ze hebben afgesproken elk precies de helft van de dienst te draaien. Met zo’n negen graden is het net een tikje koeler, maar de zuidelijke wind houdt zich gedeisd. Ideaal weer om even ergens langs te lopen en te zeggen dat je ‘gewoon even buiten moest zijn’, want het kan tenslotte nog.

Kortom: geen spectaculair weer, maar wel prima te doen. En soms is dat precies genoeg.